Arbeidshygiënist Jan Kegelaer: ‘de nuance als handicap’

Als je aandacht wilt voor maatschappelijke problemen – bijvoorbeeld voor blootstelling aan toxische stoffen op werkvloeren – dan helpt het niet als je je bescheiden opstelt en de nuance zoekt, zo ervaart Jan Kegelaer. Althans, het katapulteert je niet direct tot veelgevraagd spreker in de lawaaimedia. En die lawaaimedia bepalen vervolgens wél waar het preventiebeleid op focust. Het evenwicht raakt zoek. Arbeidshygiënisten zijn opvallend vaak betrokken, vriendelijke en bescheiden mensen. Jan Kegelaer staat ook niet met een spandoek op het Malieveld, maar heeft wel degelijk een (genuanceerde) boodschap. Die zou hij graag ‘onderons’ uiteenzetten met een kopje koffie erbij, maar dat zit er nog even niet in. Geen punt: VK Stokpaard is gewend aan lange telefoongesprekken. En Jan hoeft eigenlijk niet zo nodig op de voorgrond, maar zo zegt hij: ‘als we dat allemaal denken dan hoor je nooit iets.’

Biografie
Jan Kegelaer (1974) is Operationeel directeur van RPS Analyse B.V, een  laboratorium met eigen meet- en adviesdiensten op het gebied van arbeidshygiëne, asbest en geotechniek. Hij werkt al eenentwintig jaar voor het bedrijf en vindt daarnaast nog tijd om zich in te spannen voor de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne (NVvA, als bestuurslid met de portefeuille toxische stoffen), brancheorganisatie Fenelab (voorzitter Arbocommissie) en het Platform Kwaliteit Luchtmetingen. En daarnaast ontplooit hij nog wat vakgerichte nevenactiviteiten. De geboren Zeeuw is aanvankelijk opgeleid tot ingenieur chemische technologie (’98), heeft een aanvullende opleiding bedrijfskunde (Industrial Sales) gevolgd bij Hogeschool Rotterdam en is, terwijl zijn carrière zich ontwikkelde in de laboratoriumbranche, arbeidshygiënist geworden bij Hogeschool Saxion. Zijn ‘bezieling’ als arbeidshygiënist ontstond echter niet in de schoolbanken of in het auditorium.



Je staat bekend als een bevlogen arbeidshygiënist en bent natuurlijk niet zomaar bestuurslid van de NVvA. Is er een moment aan te wijzen dat je het licht zag?
Jan: ‘Het zal ongeveer in 2016 geweest zijn dat ik werkelijk geëngageerd raakte. De Longalliantie had een boekje gemaakt dat me diep raakte. Dat boekje heet Ademnood*; het bevat zeven aangrijpende verhalen van slachtoffers, van mensen die tijdens hun werk blootgesteld werden aan gevaarlijke stoffen. Tot op dat moment had ik steeds gevonden dat ik goed bezig was met mijn vak, met statistiek, met meetonderzekerheden, homogeen blootgestelde groepen en grenswaarden. Behoorlijk theoretisch allemaal. En toen kreeg ik dat boekje in handen. Pas toen kreeg ik het gevoel ‘dít is ons vak; hier doe ik het voor’. Dat gevoel heb ik nog elke dag.’

Waarin uit zich dat?
Jan: ‘In het besef dat we als professionals een verantwoordelijkheid dragen. Dat we niet alleen over onze eigen mensen waken, maar dat we bijvoorbeeld ook onze leveranciers moeten aanspreken op hun handelwijze. Er is namelijk collectief iets in onze psyche geslopen dat niet deugt; een soort gelatenheid. Oorzaak en gevolg van ongezonde arbeidsomstandigheden liggen zó ver uit elkaar dat we ons gevoel van urgentie zijn kwijtgeraakt. Dat ben ik me heel sterk gaan realiseren toen ik die zeven persoonlijke drama’s in dat boekje onder ogen kreeg.’

Je zou toch zeggen dat in een land als Nederland de blootstelling aan toxische stoffen op de werkvloer wel meevalt.
Jan: ‘Het kan zeker slechter, maar als je ziet wat er bijvoorbeeld in Tilburg is gebeurd dan is dat ronduit verschrikkelijk (Kegelaer doelt op het re-integratieproject waarbij oude treinen met chroom-6-houdende verf door werklozen werden kaalgeschuurd, red.). Behalve dat het dieptreurig is dat die blootstelling jarenlang plaatsvond, is het ook onfatsoenlijk hoe het onderwerp chroom-6 eerst gegijzeld wordt door de media en hoe vervolgens allerlei ondernemingen het te gelde maken. Er ontstaat als het ware een nieuwe markt.’

Noem je de media-aandacht pervers?
Jan: ‘Ja. Ze kapen een onderwerp en blazen het op. Het is sensatieberichtgeving. Via de vereniging of mijn bedrijf word ik regelmatig door die media als deskundige benaderd. Maar als ik kom met een genuanceerd verhaal over de beheersmaatregelen en hoe de risico’s te beperken zijn, dan zie je ze afhaken. Ze willen sensationele koppen in chocoladeletters maken. Nuance is ongewenst.’

Maar aandacht voor een serieus probleem is op zich toch goed?
Jan: ‘Dat zou je zeggen, maar iets prioriteren betekent dat de aandacht op andere gebieden verslapt. Ik merk dat ook, want na een aandachtsgolf in de media krijg ik er plotseling vragen over. Laatst per telefoon van een sloper die – op zich te prijzen – het werk staakte omdat hij stalen kozijnen aantrof met chroom-6-houdende verf. Maar als hij niet aan de verf zou komen en eerst de kozijnen uit de muren zou halen, kon hij daarna gewoon slopen, zo had hij terecht geconcludeerd. Hij wilde al bijna ophangen toen ik nog even vroeg hoe hij die kozijnen uit de muur ging halen. Met de diamantschijf op de haakse slijper? En de kwartsstofbeheersing? Nou, het stuift tóch altijd. Dan is de balans dus zoek: kwartsstof blijft kankerverwekkend, met of zonder chroom-6 in de buurt. Als je focust op het ene risico is het andere daarmee niet verdwenen. Precies hetzelfde gebeurt met corona: sinds bijna een jaar ligt het zwaartepunt op de coronaprotocollen, waardoor andere risico’s op de achtergrond raken.’

Toch hoor ik daarover nog geen arbeidshygiënisten klagen. Zijn jullie misschien te bescheiden?
Jan: ‘Generaliseren is altijd riskant maar inderdaad, we schreeuwen onze boodschap doorgaans niet van de daken. De arbeidshygiënisten die ik ken zijn zeer betrokken en vol overtuiging aan het werk in het belang van de gezondheid van de mensen, meestal op de achtergrond en in relatieve stilte. Ik wil het nog geen imagoprobleem noemen, maar onze PR kan beter.’

Wat zijn de gevolgen van die ‘mindere PR’?
Jan: ‘Kijk naar de opleidingen, waar de keuze steeds beperkter werd. In 2007 rondde ik mijn hbo-opleiding Arbeidshygiëne bij Saxion af. Die opleiding bestaat niet meer, net als verschillende andere, universitaire leergangen in ons vakgebied. Wég. Dat is eeuwig zonde maar op zijn minst ten dele te wijten aan die gebrekkige PR. Er was geen aanwas meer. Het gat dat viel is inmiddels grotendeels opgevuld, maar er leeft wat ‘oude arrogantie’: een deel van de gevestigde orde heeft zich aanvankelijk nogal laatdunkend opgesteld over bijvoorbeeld de AH-opleidingen op mbo-niveau, terwijl het juist heel goed is dat ons vak toegankelijker wordt. De risico’s vind je op de werkvloer, dus dáár moet je zijn met je blootstellingsmetingen en je interventies. Paradoxaal genoeg zit dat besef diep in de arbeidshygiënisten; we willen het zelf in de vingers houden. Ik vind het heel mooi dat zelfs de hoogste arbeidshygiëniste van Shell, binnen de multinational wereldwijd verantwoordelijk, zich naar mij verontschuldigende dat ze zelf niet zo vaak meer blootstellingsmetingen uitvoerde maar die al een tijdje aan het team moest overlaten. Dat is prachtig toch?’

Jij zit met je bedrijf én je bestuursportefeuille bij de NVvA erg in de hoek van de gevaarlijke stoffen, maar arbeidshygiëne is toch meer dan dat?
Jan: ‘Jazeker; arbeidshygiëne is een veelzijdig vak dat zich ook bezighoudt met arbeidsrisico’s zoals ergonomie, fysieke belasting, geluid, licht en bijvoorbeeld elektromagnetische velden. Ik ben net heel druk geweest met dat laatste onderwerp, want het moet in de arbocatalogus voor de laboratoria. Dat is een verhaal op zich. Maar in de arbeidshygiëne zijn we misschien wel tachtig procent van de tijd druk met toxische stoffen, want daar zijn er nu eenmaal heel veel van.’

Vind je het leuk om daarmee bezig te zijn?
Jan: ‘Absoluut, ook al is het niet altijd het terrein waar je de meeste winst boekt. Ik vraag me bijvoorbeeld af of we wel zoveel energie en geld moeten steken in het nóg verder verlagen van de blootstelling aan benzeen. Ja, de stof is kankerverwekkend, maar de grenswaarde is al bijzonder laag (0,2 ppm, red.).  Als je daar oneindig mee doorgaat, kom je een keer op het punt dat de gezondheidswinst niet meer in verhouding staat tot je inspanning. Het leuke van ons werk is juist dat je op heel veel werkvloeren met minimale moeite al heel veel winst kunt boeken, gewoon door mensen een beetje bewust te maken van heel dagelijkse risico’s. Ook op het gebied van gevaarlijke stoffen. Ik haal regelmatig de woorden van Tineke Rens aan (AH bij de bakkersbranchevereniging): stel je eens voor dat we alle arbeidshygiënisten die nu rapporten zitten te schrijven een jaar lang langs de Nederlandse werkvloeren sturen met dezelfde boodschap: doe de bezem in de ban én stop met de persluchtspuit. Hoeveel mensen zouden er dan niet meer dagelijks in het stof hoeven te staan?’

Daarmee zijn we weer bij je pleidooi voor een evenwichtige verdeling van je inspanningen. Dat zet meer zoden aan de dijk dan het volgen van de waan van de dag, gedicteerd door de media.
Jan: ‘Zorg ervoor dat je op de werkvloer komt en laat het laaghangend fruit niet hangen. Nog een simpel advies op het gebied van de omgevingslucht: wijs mensen erop dat ze soms heel goed om een pluim (uitwaaierende stofwolk/emissie, red.) heen kunnen lopen, zelfs als je hem niet kunt zien. Je weet waar een machine staat die stof produceert of opwaait en de luchtbeweging is ook bekend of te voorspellen. Het kan qua blootstelling een wereld van verschil betekenen als je linksom loopt in plaats van rechtsom. Zó verschrikkelijk eenvoudig kan het zijn.’

Hoe komt het dat werknemers dat niet vanzelf doen?
Jan: ‘Voor een heel groot deel is het beroepsblindheid en gewoontegedrag. De taak van de arbeidshygiënist is vooral goed kijken naar wat mensen doen tijdens hun werk. Observeren, je ogen gebruiken en dan mensen aanspreken. Jij brengt je frisse blik en wat achtergrondkennis mee. Daar kun je heel veel mee bereiken.’

Als het niks kost zijn bedrijven vast blij met je, anders niet.
Jan: ‘Nou, het gros van de werkgevers is van goede wil. Wat moet dat moet, maar het is lang niet altijd eenvoudig om de bron aan te pakken door stoffen te gaan vervangen of productieprocessen radicaal om te gooien. De winst die je bijna cadeau krijgt als je een persluchtpistool weet te vervangen door een fatsoenlijke stofzuiger mag je niet laten liggen. Ik maak het maar zelden mee dat bedrijven bewust de regels met voeten treden en hun werknemers uitbuiten of dwingen met de risico’s te leven. Het kómt voor, malafide bedrijven bestaan, maar het is gelukkig niet de standaard.’

Is de arbeidsveiligheid in Nederland voldoende onder controle?
Jan: ‘Nee; kijk maar naar de tweejaarlijkse rapportages van ISZW. Dat 60 à 70 procent van de onderzochte bedrijven nog niet de vereiste actuele RI&E heeft is schrikbarend. Die RI&E bestaat nota bene al 25 jaar, dus dan kun je dat stuk van het beleid rustig mislukt noemen. En dan heb ik het nog niet eens over de kwaliteit van de wél aanwezige RI&E’s. Het gros ervan ligt in een la en is gewoon opgesteld zonder dat er een bezoek aan de werkvloer aan te pas is gekomen. Dat mag toch niet zo zijn in een land waarin we álles op het gebied van arbodienstverlening zo compleet hebben opgetuigd? De wet is in orde, we hebben de dienstverlening professioneel georganiseerd, we hebben de deskundigheid; álles is er. In Nederland is een enorm arbo-gebouw neergezet, maar toch werkt het niet. We onderhouden het niet. Ik meen dat de gemiddelde frequentie van een inspectiebezoek van ISZW in het MKB nu eens in de vijfentwintig jaar is. Bedrijfsartsen en arbodiensten zijn verworden tot verzuimbeheerders, in die rol geduwd door de wet. Preventie is schaars; we doen pas wat met medewerkers als ze zijn omgevallen. Bedrijven zijn niet wezenlijk geïnteresseerd in welzijn maar ze proberen compliant te zijn; hun ethiek zit in hun certificeringssysteem.’

Wat doe je daaraan? Moet er meer gehandhaafd?
Jan: ‘Ik overleg me suf in allerlei klankbordgroepen en platforms. Het jammerlijke is dat vaak de ideeën heel goed zijn, maar de uitvoering misgaat. Dat er jaarlijks zeshonderd verkeersslachtoffers vallen vinden we heel erg, dus dat er flink wat van de 50.000 politiemensen verkeersregels handhaaft vinden we normaal. Vierduizend doden ten gevolge van blootstelling aan gevaarlijke stoffen zou dus wat meer handhavers rechtvaardigen dan er nu zijn. Als we regels collectief afspreken, dan moeten we er ons ook collectief aan houden. Dat geldt voor alle risico’s. Wij veiligheidsprofessionals moeten daarbij de vereiste balans tussen risico, inspanning en resultaat bewaken.

*Het indrukwekkende boekje ‘Ademnood – Longziekten als gevolg van werk’ is nog steeds gratis te bestellen via de website van het Longfonds en (als pdf) te downloaden via de website van de Long Alliantie.

Zie ook www.rps.nl, www.opgelucht.nl en www.arbeidshygiene.nl
Home
Cookies zijn essentieel voor een goede werking van deveiligheidskundige.nl. Door op oké te klikken geeft u toestemming voor het gebruik van cookies op deze website.