In 2025 minder uitspraken over arbeidsrecht
In haar jaarlijkse kroniek bespreekt Naomi Dempsey de arbeidsrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad uit 2025. Met 27 zaken lag de productie flink lager dan de circa 40 uitspraken in eerdere jaren.
Van de reguliere cassatieberoepen leidde slechts een kwart tot vernietiging. Hoewel werknemers twee keer zo vaak een zaak aanspanden als werkgevers, hadden ook zij een bescheiden succespercentage. Ondanks het lagere aantal bracht het jaar een aantal zeer belangwekkende uitspraken.
Contracten, ondernemerschap en misbruik
De Hoge Raad hield vast aan het bekende Deliveroo-kader voor de beoordeling van werkrelaties. Uit de Uber-zaak bleek dat persoonlijk ondernemerschap kan bepalen of iemand als werknemer of opdrachtnemer geldt, zelfs bij exact hetzelfde werk. Verder kregen beurspromovendi bij het UMCG de status van werknemer en werd vastgesteld dat schoonmakers bij Helpling een arbeidsovereenkomst hadden.
Ook scherpere regels voor langdurige inleen kwamen aan bod. Bij 13 jaar onafgebroken inzet via opeenvolgende uitzendbureaus is er sprake van misbruik als deze periode niet meer als "tijdelijk" geldt en er geen heldere reden voor is.
Verlof, studiekosten en loon
Op het gebied van arbeidsvoorwaarden waren er belangrijke verduidelijkingen. Verplichte scholing moet altijd gratis zijn voor werknemers. Afspraken over het terugbetalen van studiekosten voor dit soort opleidingen zijn ongeldig. Vrije dagen die lijken op vakantiedagen moeten bij samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof worden gecompenseerd vanwege het verbod op discriminatie naar geslacht. Een all-in loon volstaat niet als het verlies aan inkomsten tijdens vakanties niet wordt vergoed, omdat dit werknemers tegenhoudt om vrij te nemen.
Ontslag, vergoedingen en overige zaken
Bij ontslag op de zogeheten 'i-grond' (ook wel cumulatiegrond, een combinatie van twee of meer ontslaggronden) moet de rechter blijven toetsen of herplaatsing mogelijk is. Wel telt een eerder dienstverband dat de werknemer zelf heeft opgezegd niet meer mee voor de berekening van de transitievergoeding. Ook staan het afwijzen van een vast aanbod en een beroep op het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang elkaar niet in de weg.
Tot slot oordeelde de Hoge Raad over pensioenen dat premievorderingen uiterlijk zes maanden na het kalenderjaar opeisbaar worden, waarna de verjaringstermijn start. Verder werd het verschoningsrecht van de bedrijfsarts ingeperkt en moet de werkgever onder de Wet bescherming klokkenluiders nu hard bewijzen dat er geen sprake is geweest van benadeling.
Lees de complete Cassatiekroniek arbeidsrecht 2025
Agenda
Vacatures
Arbo & Preventie Coördinator
HSE adviseur
HSE Officer