Skip to main content

Asbestmagazine: Verjaringsproblematiek bij asbestslachtoffers

Veel asbestslachtoffers lopen tegen de verjaring van hun vordering tot schadevergoeding aan. Dit maakt toch al schrijnende kwesties nog tragischer.

In de uitzending van EenVandaag 'Verjaring bij asbestkanker eindelijk op de schop? (lees ook: EenVandaag: Verjaring bij asbestkanker eindelijk op de schop?) kwam ook advocaat Joyce Matthijssen, advocaat asbestslachtoffers, aan het woord. Zij vertegenwoordigt op dit moment al 75 asbestslachtoffers of hun nabestaanden en vecht voor hen de verjaringstermijn aan bij de rechtbank.
Asbestmagazine heeft Joyce Matthijssen uitgenodigd om voor haar lezers deze verjaringsproblematiek verder te duiden. Zoals: 'Waarom is er op voorhand niet altijd een goede inschatting van de haalbaarheid van de schadeclaim te geven en is het starten van een procedure om een schadevergoeding te verkrijgen risicovol' en 'Waarom het door de minister voorgestelde convenant als oplossing onvoldoende zekerheid biedt'.

Aansprakelijk stellen
De verjaringsproblematiek speelt vooral een rol bij asbestslachtoffers waarbij de ziekte maligne mesothelioom wordt geconstateerd. Mesothelioom, ook wel borstvlieskanker of asbestkanker, heeft een incubatietijd van 20 tot 50 jaar (in sommige gevallen zelfs langer) en ontstaat door blootstelling aan asbestvezels. Ruim een kwart van de asbestslachtoffers met mesothelioom overlijdt binnen drie maanden na de diagnose. Tweederde van de slachtoffers binnen een jaar.
Na het stellen van de diagnose kan het asbestslachtoffer degene die verantwoordelijk is voor de blootstelling aan asbest aansprakelijk stellen voor de schade die wordt geleden ten gevolge van de asbestziekte. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan een oud-werkgever of een producent van asbesthoudende producten.

Twee verjaringstermijnen
Bij deze aansprakelijkstelling krijgt het asbestslachtoffer met twee verjaringstermijnen te maken. De eerste betreft de relatieve verjaringstermijn. Deze verjaringstermijn bedraagt vijf jaar en begint te lopen vanaf het moment dat het asbestslachtoffer op de hoogte is van zowel zijn schade als met de daarvoor aansprakelijke partij. In de praktijk betekent dit dat er binnen vijf jaar na het stellen van de diagnose een aansprakelijkstelling verzonden moet worden aan de partij die verantwoordelijk is voor de blootstelling aan asbestvezels. Deze verjaringstermijn zorgt niet vaak voor problemen.
De tweede termijn betreft de absolute verjaringstermijn. Deze verjaringstermijn bedraagt 30 jaar en begint te lopen vanaf de laatste dag van de blootstelling aan asbestvezels. Het asbestslachtoffer moet dus in ieder geval binnen 30 jaar na het laatste moment van asbestblootstelling de daarvoor verantwoordelijke partij aansprakelijk stellen. Het is deze verjaringstermijn die voor problemen zorgt.

Absolute verjaring
Zoals hierboven is aangegeven, bedraagt de incubatietijd voor mesothelioom ongeveer 20 tot 50 jaar. Dit betekent dat een groot aantal slachtoffers pas 30 jaar ná de laatste blootstelling aan asbest bekend wordt met hun ziekte en de daaraan verbonden schade. Op dat moment is hun vordering verjaard, waardoor de verantwoordelijke partij de schade niet meer hoeft te vergoeden.
In veel gevallen doet de aansprakelijke partij ook daadwerkelijk een beroep op de absolute verjaring. Hiermee wordt meteen duidelijk dat deze partij niet van plan is om de schade van het asbestslachtoffer te vergoeden. Er wordt in dat geval nog niet eens inhoudelijk naar de zaak gekeken. Dit is vaak erg cru voor het asbestslachtoffer, omdat deze vaak vele jaren voor de aansprakelijke partij heeft gewerkt en uiteindelijk letterlijk zijn leven hiervoor geeft.

Verjaringstermijn onaanvaardbaar
Het is mogelijk om de absolute verjaringstermijn te doorbreken. De Hoge Raad heeft in de arresten Van Hese/De Schelde en Rouwhof/Eternit beslist dat een beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval en voor deze beoordeling heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten opgesteld. Vallen deze gezichtspunten uit in het voordeel van het asbestslachtoffer dan mag de aansprakelijke partij geen beroep doen op de verjaring en moet de schadeclaim van het slachtoffer inhoudelijk bekeken worden.

Procedure risicovol
Het probleem is echter dat de gezichtspunten in de rechtspraak heel verschillend uitgelegd worden. Hierdoor is er op voorhand niet altijd een goede inschatting van de haalbaarheid van de schadeclaim te geven en is het starten van een procedure om een schadevergoeding te verkrijgen risicovol.
Veel asbestslachtoffers durven deze juridische lijdensweg niet aan. Mochten ze al bereid zijn om een dergelijke procedure te starten, dan zullen zij wegens de slechte levensverwachting na de diagnose de uitkomst van een dergelijke procedure bijna nooit meemaken. Het voeren van een procedure is dan ook vaak een zware taak voor de nabestaanden.

Minister ziet oplossing
Onlangs heeft er een debat plaatsgevonden in de Tweede Kamer omtrent de rol van de overheid inzake asbestslachtoffers, waarbij ook de verjaringsproblematiek aan de orde is gekomen. Uit dit debat volgde dat vele politieke partijen de verjaringsproblematiek zorgwekkend vinden en om die reden bij de minister aandringen op een oplossing.
De minister ziet een oplossing voor dit het probleem in het opstellen van een convenant tussen diverse partijen, waarin deze partijen vrijwillig afzien van het beroep op de verjaring. Deze partijen betreffen de diverse organisaties die eveneens betrokken zijn bij het Instituut Asbestslachtoffers.

Convenant
Hoewel een convenant een stap in de goede richting is, is dit nog niet de oplossing.
De (juridische) binding aan het convenant, en dus de mate waarin de convenant-partners zich zullen houden aan de gemaakte afspraken, hangt volledig af van de wijze waarop de afspraken geformuleerd zijn en of het convenant maatregelen kent als een van de partijen zich niet aan de afspraken houdt. In een convenant moeten dus concrete, harde afspraken worden gemaakt en er zullen maatregelen, bijvoorbeeld een dwangsom, opgenomen moeten worden die voldoende gewicht in de schaal leggen om partijen te bewegen om de afspraken na te komen.
Een convenant is alleen bindend voor de partijen die betrokken zijn bij het convenant. Dit betekent dat er ook partijen zullen zijn die niet gebonden zijn aan het convenant, denk bijvoorbeeld aan een werkgever die niet is aangesloten bij een werkgeversorganisatie en/of geen verzekeraar heeft die dekking biedt voor schadeclaims. Zij zullen niet gebonden zijn aan het convenant, waardoor deze partijen alsnog een beroep kunnen doen op de verjaring van de schadeclaim van het asbestslachtoffer. Hierdoor kan een convenant voor rechtsongelijkheid zorgen tussen de asbestslachtoffers. Dit kan niet de bedoeling zijn.

Wetswijziging
Wat dan wel een oplossing is? Een wetswijziging. Een ieder heeft zich te houden aan de wet, waardoor vrijwillige intenties geen rol spelen. Natuurlijk, een wetswijziging is minder snel gerealiseerd dan een convenant, maar een wetswijziging zorgt wel voor gelijkheid tussen de asbestslachtoffers en biedt hen de mogelijkheid om hun schadeclaim bij de daarvoor aansprakelijke partij neer te leggen.

Auteur: mr. Joyce Matthijssen

Bron: Asbestmagazine
Datum: 29 augustus 2017
Auteur: DVK Redactie
© De Veiligheidskundige
Premium partners

Vacatures

Process Safety Engineer (full-time)

HBO | Randstad, West

Adviseur veiligheid en gezondheid

HBO | Midden

Arbo & Preventie Coördinator

HBO, MBO | Oost

SHE Specialist | Safety, Health, Environmental | Food

HBO, MBO | West