VK-stokpaardVK-stokpaard

VK-stokpaard is het open spreekgestoelte van DeVeiligheidskundige. Een vrijplaats waar een genodigde veiligheidskundige zijn of haar zegje mag doen, met onze redactionele steun. De spreker mag het stokpaard doorgeven, vóór of na zelf te hebben gesproken. Liefst erna.
Lees meer

Ben Arkenbout: "Wees uw broeders hoeder"

Ben ArkenboutBen Arkenbout is een (gecertificeerd) Hoger VeiligheidsKundige (HVK), DGA en (gecertificeerd) Arbeids- en Organisatiedeskundige (A&O) met uitgesproken ideeën over collegiale verantwoordelijkheid, leren en organisatorische structuren. Wat hem betreft kan veel heel anders, effectiever en efficiënter en met meer respect voor de mensen op de werkvloer. Menige organisatie heeft profijt gehad van zijn heldere inzichten. Je kunt met Ben ook behoorlijk wat lachen.
Biografie
Arkenbout (geb. 1955) is begonnen als hulpmonteur bij een elektrotechnisch installatiebedrijf , werd onderhoudsmonteur bij een veiling, storingsmonteur tram bij de Haagsche Tramweg Maatschappij, Groepschef Inspectie en Teamleider Milieuzorg en Energiebeheer, en later Groepschef KAM, beide bij Eneco. Daarna werd hij preventieadviseur  bij de gemeente Leiden, Manager QHSE, HVK en A&O-deskundige bij Croon Elektrotechniek. Tussendoor is hij jarenlang als vragenconstructeur en lid van de examencommissie VCA werkzaam geweest en beoordeelt hij scripties van adspirant HVK’s. Sinds een klein jaar is hij, als HVK en A&O-deskundige, zelfstandig adviseur, trainer en coach bij zijn eigen onderneming  About Safety & Awareness BV. Een flinke variëteit in specialismen en de daarbij behorende mobiliteit vindt hij een voorwaarde om jezelf als allround HVK aan te mogen bieden.

 
Ben, mag DeVeiligheidskundige je wat vragen stellen?
Arkenbout: “Graag, want ik ben juist doende met mijn administratie. Dat is een taak die ik met veel plezier even neerleg voor een vraaggesprek.”

Behalve HVK ben je ook arbeids- en organisatiedeskundige. Werken we met ons allen niet te hard?
Arkenbout: “Iedereen is tegenwoordig druk, maar daar werd honderd jaar geleden ook al over geklaagd. Het is de werkgever eigen om maximaal rendement te willen halen uit zijn personeel. Werknemers laten dat gebeuren en trekken niet of te laat aan de bel. Het onderlinge begrip tussen werkgever en werknemer neemt af; ‘presteren’ is het credo. Een forenzende werknemer wordt – zelfs door de politiek en de belastingdienst – als een parasiet gezien als hij het onderwerp reiskosten ter sprake brengt. De werkgever vindt, gesteund door de politiek, dat hij maar moet verhuizen en gaat daarbij volledig voorbij aan een gezin dat sociaal geworteld is in de woonplaats. Hij vergeet de werkende echtgenoot, kinderen die naar school gaan en de behoefte van ouders om ze naar de sportclub te brengen en erbij aanwezig te zijn. Als flexwerken mogelijk en toegestaan is, gaan teveel  bazen er nog vanuit dat er allerlei privézaken tussendoor gedaan worden en dat er daardoor geen veertig- maar eerder dertig uur wordt gewerkt. De bij voorbaat schuldbewuste werknemer maakt daarom in werkelijkheid vijftig uur om het tegendeel te bewijzen. Ik chargeer wellicht, maar hopelijk is het knelpunt helder. De werkgever vindt dat de 168 uur die er in een week zitten minus acht uur slaap per dag door hem mogen worden gevorderd; zie alleen al de interventies die men met PMO wil realiseren en de 24-uursbeschikbaarheid als loyaliteitsbewijs. Daar zit een grote bron van onvrede en incidenten.”

Wat kan er verbeterd worden aan de manier waarop bedrijven de veiligheid proberen te organiseren?
Arkenbout: “Waarom heeft die directeur geen tijd ingeruimd voor een fatsoenlijke voorlichting, waarom moet een VCA-training in eigen tijd worden gevolgd, waarom stuurt men een toolboxmeeting per mail toe om thuis te lezen? Vanuit mijn functies heb ik nogal eens deelgenomen aan vergaderingen met HR-managers, directies en operationeel management. Daar meent men het te kunnen bedenken. We vertellen de werknemer ‘van bovenaf’ wat hij allemaal moet, vanuit ons eigen beperkte beeld van de veiligheidsrisico’s. Opdrachtgevers hebben daar ook een handje van, bijvoorbeeld door VCA verplicht te stellen en dan te denken dat alles onder controle is. Maar ook VCA vraagt niet hoe mensen zelf tegen veiligheid aankijken, terwijl dat heel goed werkt. In mijn communicatie – naar boven en naar beneden – benadruk ik altijd het belang van peer-to-peer: het nut van onderling communiceren, leren van elkaar en de wederzijdse verantwoordelijkheid. Niet de hiërarchie moet leidend zijn, maar gewoon het idee dat je directe collega – net als jij – geen ongeval mag krijgen. Dat zit namelijk van nature in elke medewerker: er is geen monteur die ’s ochtends naar zijn werk gaat met de gedachte dat hem een ongeval gaat overkomen. Leidinggevenden moeten dit proces faciliteren en op de resultaten van dat proces worden beoordeeld.”

Vind je dat VCA daaraan voorbijgaat?
Arkenbout: ”VCA is niet fout, maar de wijze waarop werkgevers het toepassen moet anders. In de basis leert VCA ons om gevaren te herkennen en daarmee risico’s vast te stellen. Het vertelt cursisten verder wat opdrachtgevers belangrijk vinden, wat ze volgens ons moeten weten en hoe ze moeten handelen. Wíj zien iets als een gevaar en vragen jullie om een opleiding te gaan volgen zodat jullie dat gevaar ook zien. Vervolgens gaan we er vanuit dat iedereen het weet en ook de maatregelen neemt zoals wij die bedacht hebben. Als de werknemers naar de werf gaan komen ze borden met drie kleuren pictogrammen tegen die precies vertellen wat niet mag, welke risico’s er zijn en welke maatregelen ze moeten nemen; het aantal pictogrammen groeit met de dag. Dan zijn ze voor niks naar cursus geweest, want als we ze toch alles precies vertellen dan hoeven ze er niet zelf ook nog over na te denken. We verplichten ze een bouwhelm te dragen als ze binnen het hek komen, ongeacht wat ze doen, ook als ze moeten bukken, als ze achter een computer zitten of als ze in een werkplaats staan waar alles vast gemonteerd zit en niets kan vallen. Dat werkt zo averechts als maar kan. Ik zie een relatie tussen het aantal pictogrammen en de behoefte aan juridische indekking. De laatste jaren richt ik daar mijn pijlen op. Het zou veel mooier zijn als we mensen vragen hoe ze er zelf het liefste mee omgaan. Zelf denken en leren is oneindig veel belangrijker dan het handhaven van een star systeem waar werknemers energie in steken om het te omzeilen. Ik vertel mensen nu dat onze opdrachtgevers bepaalde gevaren zien en dat ze ook al hebben bedacht welke maatregelen we moeten nemen, maar dat we vooral zelf de veiligheid moeten blijven bewaken. Als we gevaren zien of als we incidenten meemaken willen we achterhalen hoe dat heeft kunnen plaatsvinden, zonder met de beschuldigende vinger te wijzen. Een incident is het gevolg van een opeenstapeling van gemiste kansen om het incident te voorkomen. We willen weten wat er aan het begin van het verhaal fout is gegaan.”

Dus VCA is prima, maar het mag niet het eindstation zijn?
Arkenbout: “VCA is een prekwalificatie, maar het wordt helaas steeds vaker gezien als een einddoel. Het is een eerste selectiemiddel om een aannemer toe te laten op het terrein. Aanvullend op VCA moet de aannemer zich oriënteren op de specifieke risico’s en ‘gewoon’ de wet volgen. Veel aannemers doen aan VCA omdat zij anders niet voorbij het hek komen. ‘Omdat  de opdrachtgever het wil’. Zij doen het teveel om ‘er vanaf te zijn’. De medewerker ziet zijn VCA-persoonscertificaat net zo: als je het papiertje hebt kun je weer tien jaar vooruit, wat ook veel te lang is. VCA is ontwikkeld voor en door de petrochemie, en vervolgens ook in de bouw binnengehaald. Nogmaals, voor de petrochemie is het een startbewijs, voor de bouw lijkt het een einddoel. Als je denkt dat je klaar bent als je VCA-gecertificeerd bent, mis je de intentie. Met verplichtingen zoals de RI&E gaat het net zo. Werkgevers en ondernemers waren dolgelukkig dat er branchemodellen verschenen, want dan was het zo ingevuld en had men aan de wettelijke verplichting voldaan.”

Staat een opdrachtgever het wel toe dat een aannemer de veiligheid zelf gaat bewaken?
Arkenbout: “Dat is zeker een punt. In de petrochemie kun je geen sch**t laten zonder dat het geregeld is. Voordat je aan het werk gaat moet je eerst een LMRA (model opdrachtgever) doen en er is een woud van andere regels. Toch zijn er zeker opdrachtgevers die willen meegaan in het loslaten en vertrouwen. De VCA-eis moeten ze – terecht – blijven stellen, maar een zelfsturend team zonder interventies van de opdrachtgever is mogelijk vanuit het idee ‘jullie lopen zelf het risico, dus je mag ook zelf bepalen hoe je daarmee omgaat’. De werknemer bedenkt zelf dat hij gehoorbescherming moet dragen als hij gaat slijpen. Hij moet echter ook rekening houden met andere partijen in de buurt, ook degenen die niet nadrukkelijk in veiligheid zijn geïnteresseerd en niet in het projectteam zitten. De aannemer zal er echt voor gaan zorgen dat hij het onder controle heeft, hij zal goed nadenken als hij de taken uitzet. De opdrachtgever mag meekijken en coachingsgesprekken voeren, maar ingrijpen of bijsturen doet hij pas als er doden of zwaargewonden dreigen te vallen. Dit systeem werkt en ik wil daar graag in adviseren. Voor partijen die het niet aankunnen moeten de opgelegde regeltjes blijven gelden, zo simpel is het ook.”

Zeker in de petrochemie heb je ook te maken met de procesveiligheid en externe veiligheid. Hoe borg je die dan?
Arkenbout: “Die is niet te borgen, althans niet door de aannemer. Daarvoor dient het systeem van werkvergunningen, hoewel ik daar best wat vraagtekens bij durf te zetten. Neem het doorspreken van vergunningen met de houder. Dat gebeurt praktisch niet. De houder moet vervolgens de inhoud weer communiceren met zijn werklieden, maar daar zie je dat het misloopt, zeker ook bij anderstaligen. Zo’n voorman moet dan in beperkt Engels aan bijvoorbeeld een Bulgaar uitleggen wat hij wel en niet mag doen en waarom. Die Bulgaar heeft het Engels ook niet als favoriete tweede taal en miscommunicatie is gegarandeerd. Ik chargeer weer enorm, maar ik zie veel meer in een systeem waarbij werkers meer vrijheden hebben. Het voorkomt dat ze er blind op vertrouwen dat de veiligheid wel geregeld is, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is.”

Heb je voorbeelden van sectoren die het anders doen?
Arkenbout: “Die zijn er. Neem de scheepsbouw. Er wordt op een werf gelast, geklonken en geslepen, liefst alles tegelijk. Werknemers bedenken zelf dat ze, bijvoorbeeld omdat de bovenloopkraan even beschikbaar is, vast wat buizen klaarleggen bij hun werkplek. De collega’s stappen er wel overheen. In de petrochemie is zoiets ondenkbaar. Toch zie je dat in de scheepsbouw ongeveer evenveel ongelukken gebeuren als in de petrochemie, terwijl VCA nog geen standaard is. Een werknemer uit de petrochemie schrikt zich rot en zal zeggen dat hij zo niet mág werken, terwijl de scheepsbouwer op zijn beurt zal zeggen dat hij in de petrochemie niet kán werken vanwege alle maatregelen en procedures. Waar we naartoe moeten is dat werknemers zich niet alleen verantwoordelijk moeten voelen voor hun eigen veiligheid, maar dat ze zich ook verantwoordelijk voelen voor die van hun directe collega. Laat het aan de mensen zelf over, niet aan de leidinggevende. Maak van twee collega’s een team en laat ze elkaars hoeder zijn. Laat ze overleggen op basis van gelijkwaardigheid, dwars door alle hiërarchie heen. Maak elk teamlid verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn collega en spreek dat ook zo af. Zij zijn dan ook degene die tegen de partner mag zeggen dat ze niet meer met zijn vieren op de camping staan, maar met z’n drieën. Dat werkt echt. Het doet ze eens temeer beseffen dat ongevallen op het werk ook gevolgen hebben in de privésfeer. En maak de leidinggevende verantwoordelijk voor het faciliteren en het succes van dit proces.

Je had het net even over communicatie. Hoe belangrijk is dat?
Arkenbout: “Een goede communicatie tussen de werknemers onderling en het luisteren naar degene voor wie we bezig zijn is veel bepalender voor de veiligheid dan de papieren verplichtingen en procedures. Het niet beheersen van de Nederlandse taal is één van de grootste veroorzakers van incidenten. Bedrijven halen graag voordelige werknemers uit het buitenland, maar de veiligheid is er niet mee gediend.”

Anderstalige werknemers laat je toch eerst een taalcursus volgen?
Arkenbout: “Ja. We halen nu iemand uit het buitenland, laten hem in zijn eigen taal VCA-examen doen (basis-VCA kan al in veertien talen, red.) en geven in een aantal gevallen ook een startcursus Nederlandse taal. Als die persoon slaagt kan hij op het terras bier bestellen, kan iemand aanspreken en herkent het woord ‘gevaarlijk’. Daarmee heb je nog geen fatsoenlijke communicatie. Als een bedrijf een academicus uit Roemenië binnenhaalt mag het niet verwachten dat die persoon na een basiscursus Nederlands ook op academisch niveau in het Nederlands kan communiceren.”

Goede communicatie en eigen beslissingsbevoegdheid dus. Zijn er nog meer voorwaarden waaraan moet worden voldaan ?
Arkenbout: “Mensen zijn geen robots die je kunt programmeren. Ze zijn zelfdenkend. Bovendien wil je dat ze zich ontwikkelen, maar niet tot ‘ervaringsdeskundigen’ en zeker niet via arbeidsongevallen. Dat lijkt dan een beetje op die twee Belgen die een bananenschil zien liggen waarop de ene tegen de ander zegt “O jé, daar ga ik weer”. Die mensen haal ik er liever uit voordat ze teveel ‘ervaring’ opbouwen. Als je het na twee keer je hoofd stoten nog niet weet, helpen de volgende tien keer waarschijnlijk ook niet. Peer-to-peer tijdens het werk is verreweg het belangrijkste principe als het gaat om het leren, aangevuld met e-learning en een beetje klassikaal onderricht, in de verhouding 70/20/10. Dat peer-to-peer leren doet denken aan het aloude meester-gezelprincipe en het levert het hoogste rendement. E-learning-instrumenten zijn er in verschillende soorten, vanaf de digitale database, het handboek of naslagwerk op de computer tot werkelijk interactieve applicaties. Als je documentatie van een fabrikant op je computer doorneemt, dan verhoog je het leereffect aanzienlijk als je via dat zelfde medium ook vragen kunt stellen aan die leverancier. Van klassikaal leren blijft volgens onderzoek maar zo’n 10 % hangen. Die inzichten zijn nuttig als je nadenkt over veiligheid op de werkvloer.”

Tot slot: ben je zelf klaar met je ontwikkeling?
Arkenbout: “Nooit. Ik wil graag blijven leren, vooral van jonge mensen. De ‘oude’ kennis en methoden heb ik ondertussen wel onder de knie; zij leren mij de nieuwe technieken, ontwikkelingen en hún wijze van communiceren. Dit is ontzettend belangrijk om kloven tussen generaties op de werkvloer te voorkomen. En met mijn werk ben ik ook niet klaar; ik blijf werken zolang ik toegevoegde waarde heb. Mijn nekharen gaan overeind staan als iemand mij vraagt wanneer ik denk te stoppen. Ook als ik merk dat een ander is gestopt met zijn ontwikkeling. Je leven lang hetzelfde kunstje vertonen bij één organisatie is niet goed. Wat dat betreft is er veel te zeggen voor mobiliteit, mits ‘compleet’ uitgevoerd. De ware zzp’er is daar in het voordeel. Ik vind dat, als je je op de vrije markt als HVK’er en/of A&O-er verkoopt, je een gedifferentieerde achtergrond en ervaring moet hebben en dat je, meer dan wie ook, je eigen beperkingen kent. Dat geldt in het algemeen voor iedere opleiding, maar bij uitstek voor de opleidingen waar je een titel voor het leven aan ontleent. Mensen ontwikkelen zich op een bepaald niveau, binnen een bepaalde studierichting, en hebben dan het recht een titel te voeren. Je kunt die tot aan je dood voeren zonder dat je je ooit hebt hoeven bijscholen of je – onafhankelijk aantoonbaar – verder hebt ontwikkeld. Dat is toch raar? Er lopen zat niet-HBO- of academisch afgestudeerden rond die wél dat niveau hebben ontwikkeld. Zij mogen géén titel voeren. Een titel is alleen in combinatie met het vakgebied te rechtvaardigen en vergt aantoonbare ontwikkeling. Voorbeelden zijn er te over. Nu rond je op je 26e je HBO- of academische opleiding af et voila: klaar voor het leven. Ik ‘pleit voor afschaffing van dat systeem. Als je je niet onafhankelijk aantoonbaar ontwikkelt binnen het vakgebied ben je in mijn optiek je titel niet meer waard. Ik ben dan ook groot voorstander van het BCD-systeem* van certificeren voor A&O, HVK en AH. De bedrijfsarts heeft al een ‘eigen’ BIG-registratie.
Mag ik nog een leestip geven? ‘Generatie Einstein’. Een prachtboek over communicatie en het leren, vroeger en nu.” (MC)

* Het door de Stichting BCD uitgewerkte systeem voor beoordeling van competenties, dat ook intercollegiale toetsing omvat, red.


Cookies zijn essentieel voor een goede werking van deveiligheidskundige.nl. Door op oké te klikken geeft u toestemming voor het gebruik van cookies op deze website.
Oké Niet oké