Wegwerpfiltermaskers tegen coronabesmetting

Over persoonlijke beschermingsmiddelen die besmetting met het nieuwe coronavirus (2019 nCoV) zouden helpen voorkomen is een mediastorm opgestoken. Marktplaats verwijdert alle advertenties voor mondmaskers (de Stentor), de Vereniging van Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen in Nederlandse Ziekenhuizen (VDSMH) inventariseert de beschikbare ontsmettingstechnieken (Dagblad van het Noorden), het RIVM belooft aanbevelingen voor sterilisatie en in vele ziekenhuizen worden PBM al ingezameld voor hergebruik als het echt niet anders kan. Ook De Veiligheidskundige ontvangt per mail oproepen (zelfs uit België) om overtollige FFP2 en FFP3 voorraden en andere PBM te bezorgen bij ziekenhuizen en zorgcentra. Gedetineerden vervaardigen inmiddels maskers. Die zijn (nog) niet aan normen getoetst en worden dus niet gegarandeerd. Over de effectiviteit van ‘mondkapjes’ doen intussen wilde verhalen de ronde. FFP1-stoffilters werden al voor tien keer de inkoopprijs verkocht als beschermingsmiddel tegen 2019 nCoV. Windhandel.

Virussen zoals 2019 nCoV worden onder andere verspreid door hoesten, niezen en ‘spreken met consumptie’, waarbij het virus in druppeltjes speeksel en slijm van een geïnfecteerde persoon wordt overgedragen op anderen. Een virus is geen zelfstandig levend organisme. Het heeft geen eigen stofwisseling en behoeft een medium of gastheer om te blijven bestaan en zich te vermenigvuldigen. Eenmaal buiten een gast-organisme zijn virussen na enige tijd onschadelijk. ‘Enige tijd’ is een lastige factor, vooral omdat die tijd zeer afhankelijk is van het type virus en de omstandigheden. Temperatuur en blootstelling aan virusvijandige of juist ‘vriendelijke’ milieus zullen van invloed zijn. 2019 nCoV wordt uitvoerig onderzocht, maar lijkt een ‘taaie rakker’ die zijn kiemkracht tot enkele uren kan behouden. De anderhalve meter fysieke afstand biedt dus geen garanties. Het vangen van spatten (door maskers, brillen en gelaatsschermen) is aan te bevelen mits de vloeistoffen en daarmee de virussen er niet (bijvoorbeeld via aanraking) door worden verspreid. Hoe groot dat risico daadwerkelijk is wordt nog onderzocht.

National Institutes of Health heeft onderzoek gedaan naar de stabiliteit van het coronavirus. Het virus was nog terug te vinden:
- in aerosolen: 3 uur
- op koper: 4 uur
- op karton: 24 uur
- op kunststof en roestvrij staal: 3 dagen

Goed schoonmaken van contactoppervlakken helpt mee om verspreiding van het virus te beperken. Denk naast het toilet en de deurknoppen, ook aan de deur van de koelkast, de waterkoker en de lichtknoppen. Gebruik hiervoor gewoon huishoudelijke schoonmaakmiddelen. Corona is een virus met een envelop, dat is een lipide membraan, zeep kan dat juist goed verwijderen. Het delen van telefoons, toetsenborden en muizen is nu even niet zo handig.
Bron: LabInsights

Effectiviteit ‘snuitjes’ ter preventie van virusinfecties

Wegwerpmaskers zijn niet 100% effectief waar het gaat om het invangen van virussen. Het virus zelf is zó klein dat het een grofmazig filter eenvoudig passeert, waardoor een FFP1-wegwerpmasker maar weinig zal uitrichten. Zelfs FFP2 en FFP3 zullen een deeltje zo klein als een virus niet goed invangen (hoewel er elektrostatische technieken zijn die de effectiviteit verhogen). Het gaat echter niet om ‘vrij vliegende’ virussen – want die zijn zeldzaam en ‘doen’ weinig meer, naar wordt aangenomen – maar om de druppeltjes waarin zich ‘levenslustige’ virussen bevinden. Zelfs vrij grofmazige filters zullen een deel van de vloeistofdruppeltjes (aerosolen) invangen en op die manier de trefkans door rechtstreekse sproeinevels reduceren. Wat eventueel indrogen en het verloop van de tijd doen met het virus is nog onvoldoende bekend. Gedragen door besmette personen zal het filtermasker zelf een ‘verzamelplaats’ van virussen worden. Goed vochtig, dus waarschijnlijk een milieu waarin een taai virus stand kan houden. Het impregneren met virusdodende middelen zou misschien iets kunnen uitrichten tegen de secundaire besmettingsrisico’s bij het aanraken, afzetten (doffing) en verwerken van gebruikte maskers, maar mag niet tot blootstellingsrisico’s van de drager leiden. Voor die impregneertechnieken zijn De Veiligheidskundige geen bewezen effectieve praktijkvoorbeelden of richtlijnen bekend.

Lekkage

Zelfs als het filtermateriaal van omgevingsluchtafhankelijke adembeschermingsmiddelen (filtermasker) alle fijnstof en aerosolen zou invangen is de bescherming geen honderd procent. Wegwerpfiltermaskers (zonder aanblaasvoorziening) lekken namelijk altijd op de aansluiting tussen de rand van het masker en het gelaat. Tijdens de inademfase ontstaat een onderdruk in het filter en tussen kin, wangen, neus en maskerrand lekt verontreinigde lucht naar binnen. Die verontreinigde lucht mengt met de gefilterde lucht en zorgt ervoor dat de totale efficiency daalt. Bij filterende adembeschermingsmiddelen wordt de effectiviteit uitgedrukt in een protectiefactor, die het mogelijk maakt om vanuit een grenswaarde snel uit te rekenen tot welke omgevingsconcentratie een bepaald filtermasker mag worden gebruikt (toegekende protectiefactor TPF x grenswaarde = maximale omgevingsconcentratie). Uiteraard moet het filter geschikt zijn voor de verontreiniging én de grenswaarde bekend zijn. Bij virushoudende aerosolen zijn beide tamelijk onzeker of zelfs geheel onbekend.

Fit Factor

Een TPF is geen strikte maat. Het is een aanname die uitgaat van optimale passing. Als de drager van een filtermasker slecht geschoren is, de neusbeugel niet goed is aangedrukt of een (siliconenrubberen) masker een verkeerde maat heeft, de gelaatsvorm afwijkt (gebitsproblemen, littekens, enz.) of het masker gewoon scheef zit, kan de lekkage zeer groot zijn. Bij een wegwerpmasker kan dat in de slechtste gevallen zelfs tientallen procenten zijn, met grote gevolgen voor de effectiviteit. Sinds enkele jaren wordt daarom in de industrie en de asbestbranche periodiek gemeten of individuele persoon/maskercombinaties voldoende presteren. Dergelijke metingen heten face-fittesten en ze worden uitgevoerd met geprepareerde maskers met een aansluiting waarmee het aantal deeltjes binnen en buiten het masker worden vergeleken met behulp van een deeltjesteller, terwijl de drager bepaalde voorgeschreven oefeningen uitvoert. Die deeltjes zijn doorgaans onschuldige rookpartikeltjes van bijvoorbeeld een kaars of waxinelichtje in de testruimte. Persoonlijke fitfactoren zijn voor alle adembeschermingsmiddelen te meten, zelfs voor ‘snuitjes’. Wat je eraan hebt bij virushoudende aerosolen? Je kunt een enigszins onderbouwde uitspraak doen over de vermindering van de kans dat een virus zich een weg naar binnen baant. Omdat één virus genoeg kan zijn is er geen grenswaarde en blijft het nattevingerwerk. Daarom zullen bij grote (bio)risico’s alleen een chemicaliënpak en onafhankelijke adembescherming als voldoende worden gezien. Mét een complete ontsmettingsprocedure eromheen.

Uitademventiel

Hoe fijnmaziger een filter is, hoe minder fijnstof en aerosolen passeren. Dat pleit voor minstens P2 of P3. Dergelijke filters hebben een hogere ademweerstand, vooral als ze na verloop van tijd vochtig zijn geworden door condensatie van waterdamp uit de uitgeademde lucht. Om dat effect te verminderen zijn veel FFP2- en FFP3-maskers voorzien van een uitademventiel, een siliconenrubberen klepje dat in de uitademfase opent en de adem ongehinderd laat passeren. Dat besmette dragers via die ventielen ook virushoudende aerosolen kunnen verspreiden is duidelijk. Wegwerpmaskers zijn ontworpen om verontreinigingen buiten te houden: niet andersom. Het gaat bij PBM en arbeidsveiligheid tenslotte om de bescherming van de drager. De aanname is dat het gevaar ‘buiten’ schuilt. Bij 2019 nCoV kan het ook de bedoeling zijn om besmetting in de omgekeerde richting te voorkomen. Bij een niesbui is de verwachting dat zelfs het beste masker ernstig lekt.

Chirurgische maskers

Alleen bij chirurgische maskers wordt uitdrukkelijk ‘andersom’ gedacht: de patiënt moet worden gevrijwaard van aerosole druppels afkomstig van het medisch personeel. Dat zijn dus geen PBM! De Europese norm EN14683 voor chirurgische maskers hanteert criteria voor de bacteriële filterefficiency (BFE), de ademweerstand en de spatweerstand en onderscheidt twee typen; 1 en 2, waarbij type 2 een hogere BFE heeft, respectievelijk (meer dan) 95 % en (meer dan) 98 %. Van beide typen bestaat de variant ‘R’, met een verhoogde spatweerstand. De eigenschap ‘spatweerstand’ heeft wél betrekking op gevaar van buitenaf: bij die eigenschap gaat het om het beschermen van de medicus tegen spatten afkomstig van de ‘werkzaamheden’ aan de patiënt (in medische termen ‘de ingreep’).

Normen en de beoordeling van noodmaatregelen

De op vele werkvloeren als PBM gebruikte ‘industriële’ wegwerpfiltermaskers zijn niet ontworpen en getest volgens de genoemde EN14683 (maar volgens de EN149). Ze zijn primair bedoeld tegen stof, meestal ook tegen aerosolen en er bestaan ‘snuitjes’ met actieve koolstof die ook geurlast tot op zekere hoogte verminderen. Die maskers zijn meestal grijzer van kleur en ze worden onder andere toegepast in de afvalverwerking. Volgens de Arbowet moeten arbeidsmiddelen (en PBM) worden toegepast conform voorschrift van de fabrikant en voor het doel waarvoor ze gemaakt zijn. Of dat bij 2019 n CoV zou moeten leiden tot een verbod wegens ‘oneigenlijk gebruik’ zal afhangen van de omstandigheden, de (bewezen) effectiviteit, de gebruiksaanwijzing, adviezen van deskundigen (de fabrikant) en de hoogte van de nood. Ook veiligheidskundigen en arbeidshygiënisten zullen gevraagd worden om hun oordeel en lopen daarmee de kans afgerekend te worden op hun advies. Op dit moment wordt er (al dan niet verantwoord) geëxperimenteerd met ‘eigen fabricaat’ PBM en met ongetoetste aannames aangaande de effectiviteit van middelen en procedures. Of nood wet breekt is de vraag, maar laat een noodmaatregel in elk geval beoordeeld zijn met kennis van zaken.

Desinfecteren van maskers

De enorme schaarste van wegwerpmaskers heeft geleid tot experimenten met desinfectie van gebruikte PBM. Virussen bestaan uit een streng DNA of RNA, verpakt in een eiwitomhulsel. Een eiwit ‘denatureert’ bij verwarming, soms al bij zestig graden Celsius. In biologische laboratoria worden bacteriën en virussen vernietigd door verwarming tot 120 of 130 graden in een zogenaamde autoclaaf, meestal met behulp van stoom. Andere desinfectietechnieken werken met gammastraling, UV-licht of chemicaliën zoals fenol of alcohol. Microbioloog Peter de Man van het Franciscus Gasthuis in Rotterdam heeft maskers gedurende 15 minuten verhit tot 121 graden in een hittesterilisator, zo meldde hij op 17 maart op Radio 1. Dat steriliseerde de maskers verpakt in plastic, door ze onder vacuüm droog te verwarmen en heeft vervolgens (met de voor hem beschikbare middelen) de resultaten beproefd. De gesteriliseerde maskers worden nog niet gebruikt, maar al wel achter de hand gehouden voor noodgevallen. Stoomsterilisatie bleek bij de Rotterdamse experimenten wel effectief, maar het leidde tot aantasting van de elastieken. De procedure is weliswaar arbeidsintensief, maar alles is beter dan het stil moeten leggen van het werk wegens ontbrekende materialen.

Lees ook Hergebruik mondkapjes FFP2
Home
Cookies zijn essentieel voor een goede werking van deveiligheidskundige.nl. Door op oké te klikken geeft u toestemming voor het gebruik van cookies op deze website.