Flexwerk: een onbeteugelde bron van onveiligheid?

Na het mislukken van de besprekingen over een nieuw sociaal akkoord ziet het er niet naar uit dat de groei in het flexwerk snel zal worden beteugeld. Vanuit veiligheidsoogpunt is daar wel wat voor te zeggen.

De vakbeweging had vooral paal en perk willen stellen aan twee vormen van flexarbeid, payrolling en de inschakeling van zzp'ers. Die vormen zijn een te grote concurrent aan het worden van het klassieke vaste contract. Dat hierover geen akkoord kon worden bereikt, wil nog niet zeggen dat de kans daarop definitief verkeken is. Want ook het sociaal akkoord van 2013 kwam pas na het aantreden van een nieuw kabinet tot stand. Maar het nieuwe kabinet dat nu in de coulissen staat, zal waarschijnlijk geen minister van SZW hebben die hier zoveel waarde aan hecht als Asscher vier jaar geleden.

Hoge druk
Wat in de onderhandelingen geen zichtbare rol heeft gespeeld, is het veiligheidsaspect van flexarbeid. Toch was daar wel reden voor geweest. Een wel heel actueel voorbeeld is wat zich nu voordoet bij koeriersbedrijf Deliveroo, dat al zijn werknemers aan het vervangen is door 'zelfstandigen'. Die missen niet alleen de zekerheid van een vast inkomen met WW- en pensioenrechten, maar ook een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Onder druk was het bedrijf nog wel bereid om een aansprakelijkheidsverzekering aan te bieden, maar een arbeidsongeschiktheidsverzekering moeten de koeriers zelf gaan betalen. Terwijl de druk waaronder zij zich in het verkeer storten alleen maar toeneemt, want een inkomensgarantie hebben ze niet en een gegarandeerd werkaanbod evenmin. En met de ritjes die ze wél aangeboden krijgen, verdienen ze het zout in de pap niet. Dat is vragen om ongelukken.

Twee keer zoveel risico
Er zijn sterke aanwijzingen dat ook minder krasse voorbeelden van flexibilering gepaard gaan met hogere risico's op arbeidsongevallen. Het meest recente jaarverslag van de Inspectie SZW geeft aan dat uitzendkrachten zelfs twee keer zoveel kans op een arbeidsongeval lopen als gewone werknemers.

Of zoiets ook geldt voor zzp'ers kon op grond van de beschikbare data noch worden bevestigd noch ontkend, meldde de dienst. Dat is voor die groep ook niet zo eenvoudig te beantwoorden, omdat er vanuit arbo-oogpunt twee soorten van zijn: zzp'ers die zodanig onder gezag van hun opdrachtgever werken dat op die opdrachtgever een zorgplicht rust, en zzp'ers voor wie dat niet geldt. In het eerste geval heeft de opdrachtgever dezelfde plicht om ongevallen te melden als wanneer het een eigen werknemer betreft. In het tweede geval mag de zzp'er zijn eigen veiligheidsboontjes doppen, en dat betekent dat een onbekend deel van de ongevallen waarbij zij betrokken zijn onder de radar van de Inspectie SZW blijft. Uit inspecties weet de dienst wel dat kleine zzp'ers minder in hun eigen veiligheid investeren, en dat ze door leidinggevenden, althans in de bouw, onvoldoende worden aangesproken op onveilig gedrag.   

Bij de uitspraak dat uitzendkrachten twee keer zoveel kans lopen op een ongeval, past wel een kanttekening. Afgaande op cijfers die TNO verzamelde, in samenwerking met TNS NIPO en in opdracht van de Stichting Arbo Flexbranche (STAF), leek het er een tijd op dat het verschil tussen uitzendkrachten en werknemers aan het wergvallen was, in elk geval buiten de industrie. Dat levert een heel ander beeld op. Maar er is reden om de cijfers van de Inspectie-SZW betrouwbaarder te achten. De dienst baseert zich op verplichte meldingen door bedrijven. De discipline waarmee bedrijven aan die verplichting voldoen laat veel te wensen over, maar ze is de afgelopen tijd wel aantoonbaar verhoogd, onder druk van hogere boetes. En dat kan de I-SZW weer onderbouwen door vergelijkingen met cijfers die VeiligheidNL binnenkrijgt  over slachtoffers van arbeidsongevallen die zich melden voor spoedeisende eerste hulp (SEH). TNO baseert zich op enquêtes onder werkgevers en werknemers.

Onderliggende factoren
Natuurlijk is het feit dat iemand uitzendkracht is op zichzelf niet risicoverhogend. Het risico zit hem in onderliggende factoren. Uitzendkrachten zijn gemiddeld jonger, wat het vermogen om risico's in te schatten en ernaar te handelen beïnvloedt. Ook ligt het in de aard van uitzendarbeid dat mensen geregeld iets doen wat ze nooit eerder hebben gedaan. Ze moeten daarom goed voorgelicht worden over risico's, het gebruik van pbm's enzovoort, en daaraan schort nog veel. Dat heeft STAF zelf erkend toen het begin 2015 een reeks arbochecklists presenteerde die uitzendbureaus door opdrachtgevers zouden moeten laten invullen. Ten derde vindt men onder uitzendkrachten vaker mensen met een andere moedertaal. "Kijk uit, achter je!" dringt tot een Poolse of Portugese collega toch net wat langzamer door. En ten vierde voelen mensen in vaste dienst minder angst voor hun baas dan mensen die minder zekerheid kennen. De FNV, die een meldpunt in de bouw heeft opgericht, zei vorig jaar dat Poolse en Roemeense uitzendkrachten om die reden niet zo gauw een onveilige situatie zullen aankaarten. Ze zijn bang zijn dat straf op staat.  
Mensen hoeven geen uitzendkracht te zijn om zich bang en afhankelijk te voelen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit discussies in het Europese Parlement waar we eerder over berichtten, over werkzoekende, vaak jonge piloten die voor hun brevet vlieguren moeten maken en daarom voor de goedkoopste luchtvaartmaatschappijen vliegen. Die houden hun mond als ze met te weinig brandstof de lucht in worden gestuurd. Gevoelens van afhankelijkheid zijn een potentiële voedingsbodem voor onveilig gedrag, en dat is reden om beducht te zijn voor de risico's van flexarbeid in het algemeen. Of het nu om uitzendkrachten gaat, mensen die uit nood zzp'er zijn geworden, of al die mensen die tegenwoordig van tijdelijk contract naar tijdelijk contract gaan, zonder zekerheid over verlenging.
Cookies zijn essentieel voor een goede werking van deveiligheidskundige.nl. Door op oké te klikken geeft u toestemming voor het gebruik van cookies op deze website.
Oké Niet oké